De paradox van het ontwikkelingsperspectief

Voor leerlingen met speciale onderwijsbehoeften moeten scholen in passend onderwijs vanaf groep 5 een ontwikkelingsperspectief (OPP) vaststellen. Hierin staat de weg naar het beoogde uitstroomprofiel van de leerling uitgestippeld. Een zoektocht door het drijfzand, zegt orthopedagoog Jos Louwe.

In de nieuwe wet passend onderwijs moeten leerkrachten meer dan ooit gaan differentiëren. De rugzakjes verdwijnen en een deel van de leerlingen uit het speciaal onderwijs moet weer terug de reguliere schoolbanken in. Grofweg zullen reguliere scholen onderscheid maken in drie instructiegroepen:

  • De helft van de leerlingen krijgt het basispakket
  • Een kwart van de leerlingen krijgt verrijkings- en verdiepingsstof
  • Een kwart krijgt intensieve begeleiding (RT, logopedie, pre-teaching)

Voor leerlingen binnen deze laatste groep die, ondanks deze extra begeleiding, niet voldoen aan de minimumleerstandaard en naar verwachting het eindniveau niet zullen halen, komt er een OPP. Leerlingen op speciale (basis)scholen krijgen er sowieso mee te maken. Binnen zes weken na aanmelding moet het OPP er liggen.


Op papier

Op papier komt te staan wat het verwachte uitstroomprofiel van de leerling wordt (het type vervolgonderwijs) en hoe het traject eruit komt te zien. Doelen worden netjes opgeknipt in halfjaarlijkse deelstappen, een en ander mede afhankelijk van het pedagogisch perspectief. Dit alles dient uiteraard op gezette tijden te worden geëvalueerd en zo nodig bijgesteld. Scholen krijgen de inspanningsplicht om de doelen te behalen, maar moeten er niet (financiëel) op worden afgerekend, adviseert de Evaluatie en Adviescommissie Passend Onderwijs.

Tot zover de theorie. Het eerste kritiekpunt dat Louwe aandraagt is: op basis waarvan moet een reguliere school bepalen of ze een OPP moeten opstellen voor een leerling? Met andere woorden, hoe voorspel je in groep 5 of een leerling in groep 8 het basisuitstroomniveau zal halen?

Veel onderzoek dat gedaan is naar het voorspellen van leerresultaten zijn gebaseerd op leerlingen die zich lineair, dat wil zeggen in een vloeiende lijn ontwikkelen. Bij deze normaal ontwikkelende groep lukt dat voorspellen doorgaans best aardig. Leerlingen met een minder vloeiende ontwikkeling, die vaak uitstromen naar praktijkonderwijs en VSO’s blijven in onderzoek echter veelal buiten beschouwing.

Uitgerekend voor deze leerlingen moet in de toekomst een OPP worden gemaakt. Terwijl deze leerlingen zich juist kenmerken door een grillige en moeilijk te voorspellen ontwikkeling. Louwe noemt een greep uit het aantal mogelijke ontwikkelingspatronen:

  • Leerlingen die zich traag, maar gestaag ontwikkelen
  • Leerlingen die zich steeds trager ontwikkelen
  • Leerlingen die ontwikkelingshiaten vertonen (stappen overslaan in hun ontwikkeling)
  • Leerlingen met een disharmonisch profiel (bijvoorbeeld rekenen op groep 8 niveau en lezen op groep 5 niveau)
  • Leerlingen bij wie de ontwikkeling plotseling stagneert na een normale start
  • Leerlingen bij wie de ontwikkeling verlaat op gang komt


Gevaarlijke paradox

Het stroomlijnen van ontwikkeling is geen sinecure. Louwe verwijst naar de fundamentele kritiek van Wieberdink en Kuster (2011) op het voorspellen van resultaten. “Leerrendement, intelligentieontwikkeling en het onderwijsaanbod van de school beïnvloeden elkaar wederzijds en zijn deels onvoorspelbaar.  Een beslissing om het leerstofaanbod voor kinderen te beperken kan en mag niet worden genomen op basis van achterblijvende leerprestaties die mede door een kwalitatief onvoldoende onderwijsaanbod veroorzaakt zouden kunnen zijn.” Niet alleen de didactische, maar ook de sociale en emotionele problemen zijn immers regelmatig deels school-, klas- en leerkrachtgebonden. In een andere situatie was een OPP wellicht niet nodig geweest.

Ook de ECPO stelt dat het betrouwbaar voorspellen van de ontwikkeling van leerlingen in het speciaal onderwijs nauwelijks mogelijk is.

De tweede vraag van Louwe is of leerkrachten bij de invoering van het OPP niet tegen de grenzen van hun differentiatiecapaciteit aanlopen. Er schuilt een zekere paradox in het plan. Een leerling met een OPP heeft behoefte aan extra begeleiding. Teveel aparte leerlijnen in een klas vragen echter zodanig veel extra tijd en inspanning van een leerkracht, dat je je kunt afvragen of de leerling in plaats van extra aandacht misschien zelfs minder aandacht krijgt. Dat roept de vraag op of de leerling, qua leerresultaat wellicht beter af was geweest zonder OPP.


Self-fulfilling prophecy

Het OPP draagt het gevaar in zich een self-fulfilling prophecy te worden. Niet de ontwikkeling van het kind, maar het al dan niet hebben van een OPP dreigt bepalend te worden voor de uitstroom. Leerkrachten zouden van nature geneigd zijn te lage doelen te stellen, zodat de uitkomst bij voorbaat vast staat.

Moeten we het OPP dan door een geautomatiseerd programma laten opstellen, zodat er geen persoonlijke invloed is? Daarin schuilen nog grotere gevaren, volgens Louwe. De beschikbare programma’s zijn weliswaar gebruiksvriendelijk voor de school, maar veronderstellen een lineaire ontwikkeling en zijn daarom niet representatief voor de doelgroep. Ook als men besluit gebruik te maken van een automatische OPP-generator, mag een individuele afweging nooit worden overgeslagen. Dat betekent enerzijds waken voor overvraging, dus rekening houden met zaken als faalangst en motivatieproblemen. Anderzijds is het soms juist nodig om buiten de comfortzone van een leerling te treden om een vicieuze cirkel van onderpresteren te doorbreken.

 

Damage control

Serieuze risico’s dus, waar Louwe ons voor waarschuwt. Willen we ze tot een minimum beperken, dan moeten we proberen de OPP’s zo expliciet en waardenvrij mogelijk te maken. Dus niet “de leerling lijkt de laatste tijd depressief”, maar “de leerling heeft dit schooljaar nog niet gelachen, zegt bij voorbaat dat opdrachten toch wel zullen mislukken. Hij geeft aan dat zijn teruglopende cijfers hem niets kunnen schelen. Staat elke pauze alleen.”

Meer handen in de klas lijken niet alleen een voorwaarde voor de leerkracht om überhaupt te kunnen differentiëren, maar ook om de ontwikkeling van ieder kind zorgvuldig te kunnen monitoren, de OPP’s up to date te houden en te voorkomen dat deze meer kwaad dan goed doen. 

Daarnaast moeten we in de OPP’s expliciet aandacht schenken aan de talenten van leerlingen en deze laten meewegen in de beslissing over het beoogde uitstroomprofiel. Ouders en kinderen moeten zich mede-eigenaar voelen van het plan en een actieve rol krijgen in de uitvoering. Belangrijk is dat het OPP niet gezien wordt als kenmerk van de leerling, maar als het perspectief dat de school de leerling biedt, onderschrijft Louwe.  Passend onderwijs is maatwerk en elke dag anders.